Bij de diagnostiek van dementie dient eerst te worden vastgesteld of er sprake is van een dementiesyndroom. Wanneer dat is vastgesteld wordt getracht de mogelijke oorzaak te vinden.

Om een oorzaak van dementie vast te stellen moet een adequaat medisch onderzoek plaatsvinden. De ernst en de aard van de cognitieve functiestoornissen moeten worden vastgesteld en een aanvullend onderzoek zal worden verricht naar behandelbare oorzaken en co-morbiditeit. Dit betekent een algemeen lichamelijk onderzoek, neurologisch onderzoek, onderzoek naar psychiatrische verschijnselen en eventueel neuropsychologisch onderzoek.

Neuropsychologisch onderzoek is de toepassing van gestandaardiseerde, genormeerde, en gevalideerde tests voor onderscheiden psychologische functies, zoals geheugen, waarneming, taal, aandacht en concentratie, psychomotoriek, uitvoerende controlefuncties, algemeen tempo en snelheid van complexe informatieverwerking. Neuropsychologisch onderzoek levert kwantitatieve gegevens op voor de beschrijving van het individuele patroon van stoornissen en intacte functies en voor de objectieve evaluatie van veranderingen tijdens het beloop van een dementie. Mede op grond hiervan worden adviezen gegeven over zorgvoorzieningen, zorgplan en activiteitenplan. De doelmatigheid van onderzoek naar aard en ernst van stoornissen in complexe psychologische functies is het grootst binnen een setting waar gevolg kan worden gegeven aan de voorstellen en adviezen die uit het onderzoek voortvloeien.
Bron: CBO, Richtlijn; diagnostiek en medicamenteuze behandeling van dementie 2005.

De huisarts zal als eerste onderzoek verrichten volgens de NHG - standaarddementiesyndroom. Vervolgens beslist de arts of de patiënt verwezen wordt voor verder onderzoek of delen daarvan. Deze verwijzing is niet gekoppeld aan een bepaald specialisme, maar het is van belang dat dementie tot het specifieke aandachtsveld van de betreffende arts of specialist behoort. Vanwege de complexiteit van de problemen is een geïntegreerde multidisciplinaire benadering gewenst. Naar welke instantie, specialisme of discipline wordt verwezen, wordt in de praktijk bepaald door de aard van de symptomen en hangt ook af van de mogelijkheden die de plaatselijke gezondheidszorgvoorzieningen bieden.

De diagnose van het dementiesyndroom berust in belangrijke mate op een zorgvuldige anamnese. Een anamnese is een vraaggesprek tussen arts/verpleegkundige en de patiënt om (de historie) van klachten, problemen en beperkingen in kaart te brengen. Er zal ook een gesprek plaatsvinden met iemand die de desbetreffende patiënt al langere tijd goed kent, de zogenaamde heteroanamnese. Daarnaast zal altijd een lichamelijk, neurologisch en gedragsneurologisch onderzoek plaatsvinden.

Nadat het dementiesyndroom is gediagnosticeerd, moeten de volgende vragen worden beantwoord: wat is het type dementie, wat is de oorzaak of wat zijn mogelijke oorzaken en zijn er behandelbare aandoeningen aanwezig die het functioneren van de patiënt verslechteren, maar niet de dementie veroorzaken. Het kan ook gaan om een goed behandelbare dementie die in principe reversibel is door behandeling van een onderliggende oorzaak zoals bijvoorbeeld een hypocalciëmie (te laag calciumgehalte in het bloed).

Bij onderzoek naar de cognitieve functies kan gebruik gemaakt worden van een vragenlijst waarin een aantal onderdelen van het cognitief functioneren kunnen worden beoordeeld. Een veelgebruikte vragenlijst om de ernst van een dementie in kaart te brengen is de Mini-Mental State Examination (MMSE). Deze lijst is in vrij korte tijd af te nemen.

Ook de Beoordelingsschaal voor Oudere Patiënten (BOP) wordt regelmatig gebruikt, om hulpbehoevendheid, stemming en aanwezigheid van belangstelling voor sociale activiteiten in kaart te brengen. De Geriatric Depression Scale (GDS) is een schaal om een mogelijke depressie op te sporen.
Naast deze screeningsinstrumenten die overigens niet tot een diagnose leiden is verder aanvullend onderzoek van belang. Dit bestaat uit laboratoriumonderzoek en beeldvormend onderzoek van de hersenen.