In principe kunnen alle ziektes die in de functie van de hersenen aantasten of (tijdelijk) beschadigen symptomen laten zien die op een dementie lijken. Het grote verschil met dementie en deze ziekten is de toename (progressie) van de symptomen, die bij dementie bijna altijd wel aanwezig is, terwijl op dementie gelijkende ziekten niet progressief zijn en over het algemeen weer kunnen genezen. Iemand die bijvoorbeeld een hersenbeschadiging heeft opgelopen door een verkeersongeval, kan geheugenstoornissen vertonen over een korte periode voor het ongeval. De geheugenstoornissen zullen in zo'n situatie meestal niet progressief zijn en vaak verbeteren. Dit is geen dementie. Ook mensen die slechthorend of slecht ziend zijn zullen meer moeite hebben om details in zich op te nemen. Soms missen zij ook belangrijke zaken, maar in testsituaties of tijdens observaties blijkt toch dat er nieuwe informatie kan worden geleerd en vastgehouden. Soms is het lastig om aan te tonen, dat deze mensen tijdelijk moeten worden opgenomen in het ziekenhuis. Als nieuwe informatie aangeleerd kan worden is er over het algemeen geen sprake van dementie. Een enkele maal kan geen enkele informatie worden aangeleerd, doordat enkele hormonen of andere stoffen en mineralen in het lichaam niet in de juiste verhouding aanwezig zijn. Van afwijkingen van de bloedsuiker, Natrium, Calcium, Zink, schildklierhormonen en bijschildklierhormonen zijn geheugenstoornissen bekend. Momenteel is het niet duidelijk of hetzelfde geldt voor andere hormonen, zoals geslachtshormonen. Dit is een van de redenen waarom bij dementie standaard bloedonderzoek noodzakelijk is.

Bron: Boekje 'Dementie', Informatie voor patiƫnten, familieleden en betrokkenen. Door Dr. P.L.J. Dautzenberg, klinisch geriater en C.J. Wouters, klinisch geriater.