Hersenafwijkingen bij Alzheimer
Bij mensen met de ziekte van Alzheimer is in het hersenweefsel een drietal afwijkingen herkenbaar. Al deze microscopische veranderingen komen ook voor bij normale veroudering, maar dan minder in aantal. Ook worden enkele van deze veranderingen gezien bij andere vormen van dementie, maar dan minder vaak en op andere plaatsen in de hersenen.
Bij de ziekte van Alzheimer zijn de microscopische afwijkingen het gevolg van een ophoping van twee schadelijke soorten eiwit:
1. amyloïd eiwit tussen de hersencellen (seniele plaques)
2. amyloïd eiwit in de wand van bloedvaten (congofiele angiopathie)
3. tau-eiwit in de zenuwvezels (neurofibrillaire tangles)
1. Seniel plaques
Veroudering van hersencelen treedt bij iedereen op tijdens het ouder worden. Sterk verouderde hersencellen worden afgebroken. Een van de grotere eiwitten die darbij afgebroken worden is het ß-APP (Bèta Amyloïd Precursor Protein). Bij gezonde mensen gebeurt dit zonder veel problemen. Bij mensen met de ziekte van Alzheimer is de afbraak van dit eiwit onvolledig en ontstaat er een abnormaal afbraakproduct: het kleinere eiwit ß-amyloïd. Dit is giftig voor hersencellen en blijft na aantasting van de hersencel als een klein hoopje eiwit over. Elke eiwitophoping geeft de plaats aan waar zich vroeger een zenuwcel bevond. Men noemt dit de 'seniele plaques' (letterlijk: ouderdomsvlek).
De plaques blijken al tien tot twintig jaar voordat er zich ziekteverschijnselen openbaren, in de hersenen te ontstaan. Men neemt dan ook aan dat afzetting van ß-amyloïd de belangrijkste oorzaak van de ziekte van Alzheimer is. Deze afzetting of ophoping zet in de hersenen een keten van processen in gang die uiteindelijk leiden tot de ziekte van Alzheimer. Men spreekt daarom ook wel van de "amyloïdcascadehypothese". De aangerichte schade aan de hersenen beperkt zich niet tot de delen die met het geheugen te maken hebben. Ook andere delen van de hersenen kunnen aangetast worden, waardoor bijvoorbeeld stoornissen in het gedrag (bijvoorbeeld agitatie) en het bewegen kunnen ontstaan.
2. Congofiele angiopathie
Bij de ziekte van Alzheimer wordt het eiwit ß-amyloïd naast in de hersenen, ook in de wanden van de bloedvaten aangetroffen. Deze plaatselijke afzetting wordt "congofiele angiopathie" genoemd (letterlijk: bloedvatafwijkingen die met de kleurstof congo zichtbaar worden). Het is niet duidelijk of het kleine eiwit ß-amyloïd de binnenbekleding van de bloedvaten zelf beschadigt of dat ß-amyloïd neerslaat in de bloedvaten die als door andere factoren beschadigd zijn. Dit laatste lijkt meer waarschijnlijk, omdat het hebben van een hoge bloeddruk en hoog cholesterol op middelbare leeftijd een risico blijkt te zijn om later de ziekte van Alzheimer te krijgen.
3. Tau-eiwit
Behalve het afwijkende ß-amyloïd wordt een 2e afwijkend eiwit gevormd: het tau-eiwit, dat zichtbaar is binnen de zenuwvezels zelf. Dit staat bekend als de 'neurofibrillaire degeneratie' (letterlijk: draadvormige zenuwontaarding). Door de aanwezigheid van die afwijkende eiwitstructuren kan de zenuwvezel niet meer normaal functioneren en sterft uiteindelijk.
De microscopische veranderingen helpen niet bij het vaststellen/diagnosticeren van de ziekte van Alzheimer. In Nederland worden de hersenen pas microscopisch nagekeken als de patiënt al is overleden. Maar bij het optreden van de hierboven beschreven microscopische veranderingen gedurende het leven, zijn hersencellen weggevallen. Hierdoor wordt het voor de overgebleven hersencellen moeilijker om onderling contact te houden. Het verlies van onderling contact zorgt ervoor dat bepaalde functies niet meer goed verlopen, zoals onthouden, het begrijpen en kunnen handelen. Het verlies van deze functies is door middel van testen duidelijk te maken. Als de dementie langer bestaat gaat er zoveel mis dat het ook zonder testen voor iedereen duidelijk is dat er iets aan de hand is. Iedere vorm van dementie heeft een eigen herkenbare manier waarop dat functieverlies optreedt, ook de ziekte van Alzheimer. Door een patiënt met geheugenachteruitgang te testen, is de meest waarschijnlijke diagnose te stellen, zonder dat microscopisch onderzoek nodig is.
Bron: Boekje 'Dementie', Informatie voor patiënten, familieleden en betrokkenen. Door Dr. P.L.J. Dautzenberg, klinisch geriater en C.J. Wouters, klinisch geriater.